By Nel

Pruiken en pijpenkrullen

‘Wat een gave hoeden hebben jullie’, zeg ik tegen een jochie van een jaar of zes. Ze zitten naast elkaar in het Rijksmuseum en op elk hoofd prijkt een imposant hoofddeksel van wc-rollen. Blauw, geel, roze, rood en oranje, elk kind heeft een eigen kleurtje. Het jochie grijnst verlegen. Zijn klasgenootjes wiebelen voorzichtig heen en weer. Bang dat hun hoofddeksels het loodje leggen. Hun leraar houdt met moeite zijn gezicht in de plooi. ‘Mevrouw, dat zijn geen hoeden, dat zijn pruiken! Dat ziet u toch wel. Allemaal pijpenkrullen!’Natuurlijk! Hoe dom kan ik zijn? Die rolletjes zijn net papillotten. Toen onze overbuurvrouw in ochtendjas, op pantoffels en met krulspelden in, haar zoon stond uit te zwaaien, zag haar hoofd er ook zo uit. Ik vermoed dat de kinderen iets moeten leren over de pruikentijd. Daar zijn in het Rijksmuseum allerlei fraaie afbeeldingen van te zien. Initiatiefnemer was de Franse koning Lodewijk XIV die als 17-jarige al kaal begon te worden. Dat maskeerde hij door een pruik van weelderige zwarte pijpenkrullen te dragen. Het ding was niet alleen handig om medische kwaaltjes te verbergen, het werd ook een statussymbool. Dus deden veel mannen en vrouwen hem na. Om te voorkomen dat de boel gingen stinken, werden de pruiken elke dag gepoederd en van een geurtje voorzien. De pruiken werden steeds groter en extravaganter. Tot ze weer uit de mode raakten. Gelukkig hebben de kinderen er een geknutseld. Ze hadden wel 17 rollen per pruik nodig, maar nu weten we tenminste hoe dat eruitzag.